11 And when they bring you unto the synagogues, and unto magistrates, and powers, take ye no thought how or what thing ye shall answer, or what ye shall say:
12 For the Holy Ghost shall teach you in the same hour what ye ought to say.
1Voor den opperzangmeester, Altascheth; een psalm, een lied, voor Asaf.
2Wij loven U, o God; wij loven, dat Uw Naam nabij is; men vertelt Uw wonderen.
3Als ik het bestemde ambt zal ontvangen hebben, zo zal ik gans recht richten.
4Het land en al zijn inwoners waren versmolten; maar ik heb zijn pilaren vastgemaakt. Sela.
5Ik heb gezegd tot de onzinnigen: Weest niet onzinnig; en tot de goddelozen: Verhoogt den hoorn niet.
6Verhoogt uw hoorn niet omhoog; spreekt niet met stijven hals.
7Want het verhogen komt niet uit het oosten, noch uit het westen, noch uit de woestijn;
8Maar God is Rechter; Hij vernedert dezen, en verhoogt genen.
9Want in des HEEREN hand is een beker, en de wijn is beroerd, vol van mengeling, en Hij schenkt daaruit; doch alle goddelozen der aarde zullen zijn droesemen uitzuigende drinken.
10En ik zal het in eeuwigheid verkondigen; ik zal den God Jakobs psalmzingen. En ik zal alle hoornen der goddelozen afhouwen; de hoornen des rechtvaardigen zullen verhoogd worden.